Overheidscommunicatie tussen 1995 en 2010

De moeizame slag om het publiek vertrouwen

 

De bijdrage van De Nederlandsche Bank en het gebrek aan samenhang in de campagne

Onhandige bijdragen aan het debat komen ook van De Nederlandsche Bank (DNB). Al jaren is oud-directeur André Szász[1] een gekend criticaster van de euro. In de jaren zeventig is hij de ontwikkelaar en uitvoerder van ‘het harde gulden-beleid’, waarbij Nederland het monetaire beleid van de Bondsrepubliek volgt. Maar met de euro heeft hij niets. Dat hij in de media ook aan de vooravond van het referendum weer wordt benaderd om zijn bekende kritiek te vertolken, heeft weinig effect, ware het niet dat DNB-directeur Henk Brouwer[2] ook meent de DNB-functie van ‘nuisance factor’ te moeten invullen. In een interview met Het Parool, dat verschijnt op Koninginnedag 2005, zegt hij dat de gulden te goedkoop in de euro is opgegaan. Voor iedere 100 gulden heeft de Nederlandse burger in 2002 €45,38 gekregen, terwijl hij eigenlijk €47,52 zou hebben moeten krijgen. De te lage omwisselwaarde is goed voor de export, maar maakt de import duurder, meent Brouwer.

Alle politici en alle media zijn op 30 april op het Malieveld in Den Haag om de viering van het zilveren ambtsjubileum van Koningin Beatrix mee te maken. Het nieuwtje gaat onder hen als een lopend vuurtje. Media pikken de reacties van de politici op. Brouwer schrikt van de ophef die zijn woorden teweegbrengen, komt erop terug, maar het kwaad is al geschied. Voor de tegenstanders van het grondwettelijk verdrag is het koren op de molen. De SP beschouwt dit als een welkom startschot van hun Nee-campagne, die op 1 mei begint. Zalm weet enkele dagen later in de Tweede Kamer de gemoederen wel tot bedaren te brengen, maar daarbuiten blijft de gedachte hardnekkig bestaan.[i]

Het gebrek aan ervaring met een referendum en de afhankelijkheid van ‘vrije publiciteit’ hoeven geen onoverkomelijke handicaps te zijn, als de bestaande ervaringen met verkiezings- en publiekscampagnes goed zouden zijn ingebracht.

Een succesvolle campagne kent een krachtig begin, een kick off, een media-event waarin de eensgezindheid en de vastbeslotenheid wordt benadrukt. Ook kan daar de breedheid van het inhoudelijke programma worden gedemonstreerd. Het geeft de gelegenheid op voorhand al veel kritiek van een weerwoord te voorzien. Het is niet vanzelfsprekend dat alles direct door de media en het publiek en detail wordt opgepikt. Maar het is een investering waar later in de campagne veel plezier van kan worden beleefd. Het biedt de mogelijkheid steeds weer te verwijzen naar de informatie die al eerder is verstrekt. Anderen zullen erop reageren, maar je hoeft niet steeds in de verdediging. Zo’n kick off is er in de referendumcampagne nooit geweest.

Wel is er vanuit de campagnestaf aangedrongen op gemeenschappelijke activiteiten van alle leden van het kabinet. Overwogen is ze op het strand bij het Kurhaus gezamenlijk te laten folderen. Dat blijkt agenda technisch en logistiek niet te organiseren. Later wordt het idee omgevormd tot het uitdelen van folders op het Plein, na afloop van de ministerraad. Dan zijn ze allemaal bij elkaar, dan kunnen ze even een rondje langs de terrassen en het winkelend publiek maken en zich vervolgens weer overgeven aan de routine van de late vrijdagmiddag. Iedereen van de werkgroep Woordvoerders en politiek assistenten kan zich erin vinden. Maar er wordt buiten de interne ergernissen gerekend die inmiddels binnen het kabinet zijn ontstaan door partijpolitiek gestook van enkele politiek assistenten. Dat leidt ertoe dat Zalm zijn medewerking weigert. Hij wil niet in één optocht ter meerdere ere en glorie van Balkenende, zoals hij dat uitdrukt. Zijn weigering komt voort uit suggesties in de media dat CDA-ministers zich inspannen voor behoud van de koopkracht van AOW-ers, terwijl binnen Financiën ambtenaren op aanwijzing van de minister bezig zijn daarvoor de goede rekensommen te maken. Pijnlijk is dat zijn weigering het NOS Journaal niet ontgaat. Naast beelden van folderende bewindslieden op het Plein laten ze hem zien, terwijl hij richting departement gaat.

Gebrek aan samenhang     

De campagne verwordt door het gebrek aan samenhang tot een serie optredens van individuele bewindslieden in de media en in debatbijeenkomsten, die door geïnteresseerde groepen zijn georganiseerd. Ieder vertelt zijn of haar verhaal, maar het is bijna altijd en overal een reactie op kritiek die door de interviewende journalisten inmiddels uit de samenleving is opgepikt. Ontspannen je verhaal kunnen doen is er niet bij. De journalistiek nagestreefde balans in de berichtgeving plaatst in zekere zin het kabinet steeds in het defensief, omdat het heeft verzuimd het eigen verhaal goed op orde te brengen. Daarnaast is het feit dat de campagne zelf ook onderwerp van discussie is, een structurele handicap. Het budget, het ‘onleesbare foldertje’, op bijna elk onderdeel komt kritiek. Zo geruisloos als de introductiecampagne de euro in 2002 heeft moeten laten landen, zo luidruchtig wordt de referendumcampagne. De uitslag – 61,5% tegen, 38,5% voor – wekt dan uiteindelijk ook geen verbazing. Opvallend is de opkomst, 63,3%. Die is in vergelijking met de nog geen 40% opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement betrekkelijk hoog. Bij deze opkomst kan de uitslag niet worden genegeerd.

In zijn proefschrift laat Andreas Schuck zien dat van januari tot begin april 2005 een meerderheid van de stemmers overweegt positief te gaan stemmen, hoewel ongeveer een derde nog niet weet wat ze gaat stemmen. Na de uitlatingen van Donner, het interview met Brouwer en de start van de Nee-campagnes van SP en groep-Wilders kantelt het beeld. Vanaf de laatste week van april laten de opiniepeilingen zien dat het aantal tegenstemmers groeit en dat het aantal stemmers dat het nog niet weet, daalt. Tegelijkertijd groeit de aandacht voor het referendum in de media. Aanvankelijk richt die aandacht zich meer op de campagne zelf, zoals het huis-aan-huis bezorgde foldertje dat als weinig informatief wordt beschouwd. Later komt de inhoud meer aan de orde. Het Ja-kamp heeft daarbij, volgens Schuck, niet te klagen. “De voorstanders domineerden het publieke debat. Zij waren drie maal zo vaak in beeld, dan vertegenwoordigers van het Nee-kamp. In het bijzonder minister-president Balkenende, minister van Buitenlandse Zaken Bot, PvdA-leider Bos en verschillende vertegenwoordigers van de VVD kregen overduidelijk de meeste aandacht in de mediaberichtgeving. Hun optreden werd echter als zwak en negatiever beoordeeld dan het optreden van de vertegenwoordigers van de Nee-campagne. Bovendien beoordeelden zowel de voor- als de tegenstemmers de Ja-campagne negatiever dan de Nee-campagne. Algemeen werd gesteld dat de Ja-campagne te laat was begonnen, intern te verdeeld was en van een zwakke kwaliteit”. Schuck voegt daar aan toe, dat “de nieuwsmedia het referendum-voorstel overwegend positief tegemoet traden, in weerwil van hun kritische eoordeling van de uitvoering van de officiële campagne.”[ii]

Schuck complimenteert de media voor hun rol in de campagne. Nooit eerder is er zoveel aandacht besteed aan Europese onderwerpen. Hij voegt eraan toe: “Referendums blijken des te beter te kunnen bijdragen aan het publieke debat naarmate meer voor- en tegenstanders bereid zijn om daaraan deel te nemen en zich niet achter strategische overwegingen te verschuilen.”[iii] Ook geeft hij aan dat men tegen deze achtergrond niet bang moet zijn voor nieuwe referenda. “Zelfs een mislukt referendum vervult de belofte van directe democratie, namelijk door de kloof tussen de EU en zijn burgers te verkleinen. Ze raken meer betrokken, waardoor de legitimiteit van de Unie wordt versterkt. Vanuit deze invalshoek kan het Nederlands referendum over het grondwettelijk verdrag als een succes worden beschouwd. Het heeft zijn doel gediend.”[iv]

[1] André Szasz is van 1960 tot medio 1994 DNB-directeur buitenlands beleid en als zodanig medeverantwoordelijk voor het zogenaamde "harde-guldenbeleid"
[2]
Henk Brouwer – Van 1997 tot 2011 directeur bij DNB, onder meer belast met het toezicht op de bankensector.
[i]
Andreas Schuck, a.w. pg 12-13  
[ii] Andreas Schuck, a.w., pg 14
[iii]
Idem, pg 152 
[iv] Idem, pg 154