Overheidscommunicatie tussen 1995 en 2010

De moeizame slag om het publiek vertrouwen

 

Het referendum van 2005

Abstract

Het politieke landschap is in 2005 versnipperd. Er zijn 3 partijen nodig – CDA, VVD en D66 - om een regeringscoalitie te vormen. Gezamenlijk hebben ze 78 zetels in de Tweede Kamer, een krappe meerderheid. Voor het Grondwettelijk Verdrag kan het kabinet echter op een riante meerderheid rekenen. Met de regeringspartijen zijn ook de PvdA en GroenLinks, samen goed voor 50 Kamerzetels, er positief over. Daarmee komt het aantal voorstemmers op 128, tegenover de 22 van SP, ChristenUnie, LPF en de Groep-Wilders. Als deze krachtsverdeling ook de stemming in de samenleving vertegenwoordigt, heeft het kabinet niets van een referendum te duchten. De uiteindelijke uitslag is echter 38,5% vóór en 61,5% tegen. De ‘Kamermeerderheid’ heeft zich niet waar kunnen maken. Wat is er misgegaan? Wat valt er voor kabinet en ‘Kamermeerderheid’ van het referendum te leren?

Europa gaat na het referendum gewoon door. De debatten over Europese aangelegenheden lopen hoog op als de economische crisis zich aan dient. Oude ergernissen over de bureaucratie en bemoeizucht van Brussel krijgen steeds weer nieuwe voeding. In die periode roept Frans Timmermans, dan staatssecretaris van Europese Zaken in het vierde kabinet-Balkenende, de Cocohan en de VoRa bij elkaar, de hoogste ambtenaren die zich op de departementen met Europese aangelegenheden bezig houden en de directeuren Voorlichting. De staatssecretaris vraagt medewerking bij het versterken van het draagvlak voor de EU. De aanwezigen zijn daartoe bereidheid. Maar hem wordt wel gezegd dat het dan zou helpen als zijn collega’s met een positieve instelling naar Brussel gaan en terugkomen. Niet met tegenzin, niet met scepsis over de onderwerpen die daar ter discussie staan. En ook niet naar Den Haag terug komen met reacties in de zin van ‘we hebben er gelukkig de scherpste kantjes vanaf kunnen vijlen’. Timmermans zegt het te begrijpen. Het is er echter (nog) niet van gekomen…

Het politieke landschap is anno 2016 ten opzichte van 2005 verder versnipperd. Het kabinet steunt op 76 zetels in de Tweede Kamer, voor een meerderheid in de Eerste Kamer zijn vijf partijen nodig. Desondanks is er een solide meerderheid voor het EU-verdrag met Oekraïne. De voorstanders hebben een forse uitdaging die meerderheid bij het referendum te verzilveren.

Lees het volledige verhaal...