Overheidscommunicatie tussen 1995 en 2010

De moeizame slag om het publiek vertrouwen

 

Communicatieoorlog?
Wat oorlog? 

Een antwoord aan Frits Bloemendaal

Laat ik voorop stellen dat ik een hekel heb aan het onnodige gebruik van het woord oorlog. Dat komt zo. In 1985, ik werkte bij de Bouw- en Houtbond FNV, bereidden we ons voor op een staking. Alle leden kregen begin mei een ‘mobilisatieoproep’ toegestuurd. Of het werd aangewakkerd door de eindeloze herdenkingen na veertig jaar oorlog weet ik niet, maar een storm van kritiek kwam los. Staken voor een goede bouw-cao was prima, maar om dat nu te associëren met een oorlog, dat ging enkele bruggen te ver. Ik was het ermee eens. Gebruik sindsdien geen oorlogstermen meer. Voetbal is oorlog? Kom op zeg. De Communicatieoorlog? Hou op! Kunnen we alsjeblieft onze woorden wat zorgvuldiger kiezen? Wat kopen we voor een woordinflatie van een Zimbabweaanse allure.
Maar als we de schermutselingen, het voortdurende gedonderjaag tussen media en voorlichters, tussen journalistiek en politiek dan toch als een oorlog zouden willen betitelen, wie heeft dan wie de oorlog verklaard? En wie is er eigenlijk aan de winnende hand? Lees de kranten, kijk de nieuwsprogramma’s, kijk de talkshows, hoe komen politici, bewindslieden, overheidsfunctionarissen eruit naar voren? Zijn ze in de meeste gevallen niet de speelbal van de interviewers en de zogenaamde ‘sidekicks’? Het aanzien van het ambt en zijn bekleder wordt in ieder geval maar mondjesmaat gerespecteerd.

Kan het voor de zoveelste keer niet laten om de scherpe observatie van Johan Cruyff te citeren: “Italië kan niet van je winnen, maar je kan wel van ze verliezen”. Die uitspraak hou ik al diegenen in overheidskring voor die het zinvol vinden de rol van de media te bekritiseren. Laten we ons toch concentreren op ons eigen werk. We kunnen nog zoveel beter communiceren. Naarmate wij – in alle opzichten – ons werk beter doen, hebben we van de media niets te vrezen. Ik weet niet of deze oproep al een grote impact heeft. Maar krijg wel het idee dat de oproep de media tot een ‘pre-emptive strike’ heeft verleid. De onevenredige ophef over de 100-dagen-toernee, het buitenproportionele gemopper over de verhuizing van de persconferentie van de minister-president van Nieuwspoort naar de RVD-zaal, het tranentrekkende gejeremieer over het maken van afspraken voorafgaand aan tv-optredens, over het autoriseren… En dan ook nog eens de GPD-affaire. Er wordt nogal flink op ons gebeukt, nog voordat mijn oproep succes heeft kunnen hebben. We krijgen ongelijksoortige ingrediënten als een haute cuisine hutspot geserveerd.

De GPD-affaire

Om maar bij de GPD-affaire te beginnen. Die had nooit mogen gebeuren. Maar is een incident. De media worden niet structureel bespioneerd door de overheid, ondanks alle misbaar die de GPD-affaire heeft opgeroepen. Maar de overheid wel door de media, vanuit de zelfopgelegde rol van ‘controleur van de macht’. Het is niet de enige eenzijdigheid – of gebrek aan nuancering – die de media kenmerkt als ze zich beklagen over de overheid en haar voorlichters. Nooit is er een evenwichtig verhaal gekomen over de verplaatsing van de wekelijkse persconferentie, noch over de 100-dagen-toer. U moet eens lezen hoe de vorige DG RVD in de Volkskrant is uitgezwaaid en hoe de nieuwe is verwelkomd. De vooringenomenheid, om maar niet van kwaadaardigheid te spreken, spat er vanaf. En denkt u dat ons iets is gevraagd? ‘Uiteraard’ is die journalist een held, die klaagt dat sommigen van ons ‘afspraken’ willen maken voor een tv-optreden van hun bewindspersonen, of dat we lastig doen bij het autoriseren van interviews. Maar krijgt u ooit de andere kant te horen? Het is toch niet zo raar dat een bewindspersoon wil weten in wat voor setting hij terecht komt? Welke onderwerpen er aan de orde worden gesteld? Ik ben groot voorstander van het niet autoriseren van interviews, ervan uitgaande dat een vraaggesprek plaatsvindt tussen twee professionals. Maar is de journalist altijd even professioneel?

Wat ik nu zo graag zou zien is, dat - zoals wij in eigen kring steeds meer bezig zijn onze eigen professionaliteit te verhogen, daarbij nadrukkelijk kijken naar de omgeving waarin we actief zijn – de journalistiek dat ook eens zou doen. De media hebben het moeilijk, dat is buiten kijf. Oplages van dag- en weekbladen dalen gestaag, het kijkgedrag van burgers is enorm wispelturig, gratis media als internet nemen een steeds hogere vlucht. En als je als krant geen subsidie wil, dan moet je wel van arremoei een nieuwe publieke omroep lanceren. Op die kolkende markt moet je immers iets doen om de aandacht van publiek vast te houden en zo ook adverteerders te interesseren. Dat is geen schande, maar negeer dat dan niet. Probeer dan niet overheid en politiek als je hoofdonderwerp te kiezen. Het bashen van de Belastingdienst is allang niet meer het unique selling point van Wakker Nederland. Neem ook de kredietcrisis. De betrokken bewindslieden kunnen geen pen, microfoon of camera voorbij lopen. Parlementariërs worden bij herhaling om opvattingen gevraagd. Dat hoort ook bij de publieke verantwoordelijkheid die ze dragen. Maar hoe zit het met de aanstichters van de kredietcrisis? Waarom worden die het vuur niet even na aan de schenen gelegd? Waarom horen we het bedrijfsleven wel via de media als ze hun hand bij de overheid komen ophouden? En niet als ze andere maatschappelijk ingrijpende beslissingen nemen? Ik hou het op journalistieke gemakzucht...

Naar een grotere transparantie

Nogmaals, de overheid moet haar communicatie, haar informatievoorziening aan burgers, haar dialoog met de burgers verbeteren. Dat kan rechtstreeks, dat kan evenzeer via de media. Daar hoort de bereidheid tot een grotere transparantie bij, bijvoorbeeld door ruimhartiger in te gaan op WOB-verzoeken. Door de kracht te tonen niet meer aan te dringen op autorisatie. Ik wil de journalistiek adviseren ook in eigen kring de zwakke punten te benoemen en die ter discussie te stellen. Eens goed te kijken naar de consequenties van de keiharde concurrentie in eigen kring. In ieder geval stel ik voor de zoveelste keer voor: als we vanwege het anti-rook beleid van het kabinet geen vredespijp mogen roken, als er geen oorlog is ook geen vredesonderhandelingen hoeven te voeren, laten we dan toch minstens eens per jaar de onderlinge ergernissen goed doorspreken. Blijf niet in het schuttersputje van je eigen gelijk zitten. Kom los van het Blokker-Hofland paradigma, van je zelf opgelegde heldenrol. Jullie zijn – op een enkeling na – geen helden. Jullie zijn op zijn best profeten die ook gewoon brood moeten eten.

__________________________

Column uitgesproken bij een debat met Frits Bloemendaal, schrijver van De Communicatieoorlog, tijdens Het broodje Communicatieplein van 17 februari 2009