Overheidscommunicatie tussen 1995 en 2010

De moeizame slag om het publiek vertrouwen

 

Hengelen naar push-up-bh's en tongzoenen...

Als een interview een dialoog is, dan is de discussie over het ‘journalistieke vraaggesprek’ er uiteraard ook één met twee kanten. Theo van Stegeren heeft één kant ervan belicht, in zijn gesprek met Frénk van der Linden in de Nieuwe reporter van 21 augustus 2007. Jeroen Sprenger, directeur Voorlichting bij Financiën, benadert de kwestie van de andere kant. Als lid van de commissie-Paradijs, in 1999 door de Parlementaire Pers Vereniging ingesteld, voelt hij zich daartoe verplicht. Zijn belangrijkste stellingen: Het Journalistieke Vraaggesprek bestaat niet en de al of niet bewust nagestreefde bijeffecten doen in toenemende mate bij politici en andere te interviewen personen de vraag rijzen: what’s in it for me? Als zij er geen direct belang bij hebben zullen zij steeds vaker een interviewverzoek afwijzen of langdurig in beraad houden.

Het is een vervelend fenomeen in de Nederlandse journalistiek dat diezelfde journalistiek zich nooit van enig kwaad bewust is. Ik heb geen zin om hier de tekortkomingen van de journalistiek te benadrukken en wil al helemaal niet voor de zoveelste maal de verdenking op me laden dat alles wat er mis is in de communicatie tussen overheid en samenleving de schuld van de media is. Mensen die me kennen weten dat ik me liever buig over de verbetering van de eigen inspanningen van de overheid en zijn communicatiediscipline. Daar valt nog zoveel in te doen, dat ik helemaal niet toe ben aan zwartepieten. Maar hier moet ik toch even kwijt dat het vermogen tot zelfkritiek in de journalistiek slecht ontwikkeld is. En dat is ook zichtbaar in de opstelling ten aanzien van het journalistieke vraaggesprek. Waarom wordt niet erkend dat er ook gewoon brood op de plank moet? Bij Frénk van der Linden, bij Nieuwe Revu, bij alle journalisten en alle media? Een interview is dus niet een alleen vanuit de journalist bezien waardenvrij gesprek. De interviewer en zijn werkgever hebben er belang bij dat het verkoopt. Waarom anders soms dagen van te voren al een persbericht dat er weer een spannend vraaggesprek met een belangrijk persoon zit aan te komen? Waarom dat snelle berichtje aan het ANP na een tv-interview waarin slechts één aspect wordt benadrukt? Kijkcijfers, oplagecijfers, bedienen van doelgroepen, aanzien in de journalistieke wereld, laten we wel wezen, de media hebben zo ook hun belangen. En kom niet bij mij aan met de verdediging dat deze belangen ondergeschikt zijn aan de waarheidsvinding.

Fact of life
Een politicus heeft behoefte aan een goede band met de gemeenschap, de kiezers, de burgers. Aangezien hij niet elke dag bij iedereen persoonlijk langs kan gaan, legt hij het contact via de media. Als die media een ‘dood element’ zouden zijn, zoals de doelpalen op het voetbalveld, dan is er weinig aan de hand. Maar dat zijn ze dus niet. Daar veroordeel ik ze niet om, het is een ‘fact of life’.

Als er weer een belangrijk beleidsdocument verschijnt, dan kijkt iedere journalistieke organisatie daar met eigen ogen naar. Ieder wil zijn eigen abonnees, kijkers, luisteraars bedienen. Geen van hen staat voor het totale belang, zoals politici dat wel geacht worden te doen. En geen vertelt dus ook het hele verhaal. Wie daar als voorlichter wel eens op wijst, wordt afgeserveerd met de opmerking: dan koop je toch een advertentie! In feite is dat wat er nu gebeurt: er komen eigen websites, eigen weblogs, eigen informatiekanalen richting de burger. Het Beleidsprogramma van dit kabinet is ongeveer veertigduizend keer aangevraagd. Als mensen gevraagd wordt wat ze ervan vinden, zit steevast in het antwoord verwerkt: het is toch net even anders als de indruk die ik via de pers kreeg. Het ziet er dus niet naar uit dat de ontwikkeling van eigen kanalen zal worden gestopt.

Minder dan tien procent
Het gebrek aan zelfkritiek zit ook verstopt in de verongelijktheid die journalisten aan de dag leggen als er gewacht moet worden op inwilliging of afwijzing van hun interviewverzoek. Er is kennelijk geen benul van hoeveel verzoeken er bij bewindslieden binnenkomen. Burgers, die veelvuldig politici in de media zien voorbijtrekken, vragen zich wel eens af of ze niets anders te doen hebben dan journalisten te woord te staan. Ik heb geen inzicht in wat er zoal bij mijn collega’s binnenkomt, maar bij Financiën wijzen we minder dan tien procent toe.

Begin augustus kwamen kennelijk veel politiek journalisten terug van vakantie, want het regende ogenblikkelijk aanvragen. Heel Hilversum, de redacties van Netwerk, De Wereld Draait Door, Pauw&Witteman, EénVandaag, Nova, allemaal wilden ze het eerste grote gesprek met de minister na zijn vakantie. Ging het alleen om diens reactie op de affaire-Jami, de overname van ABN Amro, de crisis op de beurs, de kandidatuur van Jan Pronk? Kom op zeg: het ging toch ook om het aanzien van de rubriek? Wie het eerst, het best, enzovoorts? Het is een aanbiedersmarkt geworden en dat heeft zo zijn voordelen. Als alle politici dat zouden beseffen dan zouden ze niet langer slachtoffer zijn van de hyperventilerende waan van de dag of van de mediacratie.

Controle
Men kan ons voorlichters moeilijk verwijten dat we leren van onze praktijk. Dat proef ik toch ook bij Van der Linden. Ik onderschrijf de waarneming van Kay van de Linde, dat geïnterviewden na ongeveer een uur de controle over het gesprek kwijtraken. Ooit – hij was toen nog slechts vice-voorzitter – werd Johan Stekelenburg geïnterviewd door Vrij Nederland. Het gesprek ging goed, totdat tegen de afsluiting haast terloops werd gevraagd wat hij vond van Hans Pont, die wel FNV-voorzitter was. Het eerlijke en openhartige antwoord was helemaal niet zo beroerd, maar in die tijd voldoende reden voor vele artikelen over de cohesie in het FNV-bestuur. Vanuit dergelijke ervaringen adviseert een voorlichter dus. Dat geldt ook voor mijn ervaringen met Frénk van der Linden-interviews. Je attendeert je opdrachtgevers op vragen als: ‘wat vindt u van push-up-bh’s’ of ‘bestaat het vrouwelijk orgasme’, zoals vorige brooddames en –heren van mij zijn overkomen. Of, bij Krachtstroom’s Lennart Booij en Yoeri Albrecht: ‘bent u wel eens met een meisje naar bed geweest’, of ‘heeft u wel eens een jongen getongd’, al naar gelang het om een homo- of hetero-opdrachtgever gaat.

Ik vind het vragen van niets, misschien ben ik met het klimmen der jaren toch een fatsoensrakker aan het worden, maar de genoemde interviewers schijnen het nodig te hebben voor het portret dat ze van een politicus willen maken. Ik zie alleen rokende schoorstenen. Ook de setting kan van belang zijn. Ik vind persoonlijk Jörgen Raymann erg leuk, maar vraag me wel af of mijn opdrachtgevers tot hun recht komen als ze door Tante Es-met-de-snor worden geïnterviewd. Veel politici hebben bij adviezen hierover toch de neiging toch even zelf te voelen of de verf nog nat is. The proof of the pudding is – immers – in the eating… Dus er is nog voldoende emplooi voor de beoefenaren van het journalistieke vraaggesprek, maar hun gesprekspartners zullen natuurlijk steeds beslagener ten ijs komen.

Niet-autoriseren
Als ooit lid van de commissie onder leiding van Sjuul Paradijs ben ik een pleitbezorger van het niet-autoriseren van vraaggesprekken. De professionele journalist hoort een professionele politicus tegenover zich te vinden. Dat is het uitgangspunt. Een politicus hoort zich dus goed voor te bereiden en zich er permanent van bewust te zijn wat het effect van zijn woorden kan zijn. Met inbegrip van een mediahype of kritische vragen in de Tweede Kamer. De journalist moet niet zeuren dat een politicus daardoor wat behoedzaam is, minder openhartig dan hij graag zou zien. Dat moet hij maar voor lief nemen. Als hij een echt goede interviewer is, dan weet hij zijn gesprekspartner op de eigen praatstoel te krijgen, zodat er ontboezemingen worden gedaan over desnoods ‘push-up-bh’s’ en het ‘vrouwelijk orgasme’ zonder dat er expliciet naar is gehengeld.

_____________________

Eerder gepubliceerd bij De Nieuwe Reporter, 27 augustus 2007