Overheidscommunicatie tussen 1995 en 2010

De moeizame slag om het publiek vertrouwen

 
Jeroen Sprenger - Foto Quintin van der Blonk

Jeroen Sprenger - Foto Quintin van der Blonk

“Ik pleit voor 90% openbaar”

“Wees reëel: uiteindelijk komt een onwelgevallig stuk vaak toch wel bij de media terecht.”

Jeroen Sprenger werkte in de periode 1999-2008 als directeur Communicatie bij het ministerie van Financiën en in de Voorlichtingsraad verenigde directeuren voorlichting vervulde hij de rol van vicevoorzitter. In zijn boek De moeizame slag om het publiek vertrouwen geeft Jeroen Sprenger openheid en openbaarheid een belangrijke plaats. In een interview met OpenOverheid praat Mikis de Winter met hem over het hoofdstuk ‘Openheid en openbaarheid, sleutels tot publiek vertrouwen’.

“In het rapport Biesheuvel wordt eind jaren zestig geconstateerd dat burgers – beter opgeleid, mondiger, meer onafhankelijk – niet meer vanzelfsprekend het gezag van bestuurders aanvaarden. Een paternalistische of regenteske houding wordt niet langer geduld. Het gezag moet worden verdiend en dat kan door de beleidsvorming in een grotere transparantie te laten plaatsvinden. De Wob is een reactie op die cultuuromslag”, schrijf je in je boek. Hoe staat het met die cultuuromslag?
Biesheuvel durfde vast niet te dromen van hoeveel er nu openbaar is. Als destijds zo’n 10% openbaar was, dan denk ik dat nu zo’n 50% openbaar is vanuit de Rijksoverheid. Zo’n 10% van alle informatie is vertrouwelijk of geheim, denk ik. En dat moeten we zo laten, want daar zijn goede redenen voor. Ik ben groot voorstander van openbaarheid en wat mij betreft hebben grofweg nog 40% te gaan. Mijn voorstel is dat we per direct starten met het openbaar maken van waar we nu mee bezig zijn. En dan vervolgens met terugwerkende kracht, stap voor stap, alles open maken. Ik pleit dus voor 90% openbaar. Dat is voor mij Open Overheid.’

“Biesheuvel durfde vast niet te dromen
van hoeveel er nu openbaar is!”

Heeft de grotere openbaarheid sinds Biesheuvel geleid tot meer vertrouwen?
Nee, en dat komt doordat iedere keer de verkeerde voorbeelden beeldbepalend zijn. Bijvoorbeeld een brief of nota waarin zoveel is weg gelakt dat deze op een schilderij van Mondriaan lijkt. Daar hoort een publieke professional toch intern tegen te ageren? Als je je inleeft in de ontvanger van zo’n onleesbaar gelakte nota of brief, wat zou je dan zelf doen? Het valt mij op dat een Wob-besluit (Wet openbaarheid van bestuur) van een departement steeds vaker voor de rechter komt en dat de departementen dan alle hoeken van de rechtszaal zien. Voor de beeldvorming is het ook negatief dat de rechter eraan te pas moet komen.

Hoe ging je zelf om met openbaarheid als directeur Communicatie bij het ministerie van Financiën?
Mijn doel was om Wob-verzoeken zo veel mogelijk te voorkomen. De Wob geeft al heel helder aan dat de informatie niet van de bestuurder is, maar van de burger. Daarom zorgde ik voor een korte lijn met de bewindspersonen zodat zij wisten welke informatie we op welk moment zouden geven. En vaak zorgde ik voor een gesprek tussen de vraagstellers, vaak journalisten, en de behandelend ambtenaar. Op een enkele uitzondering na is dat altijd goed gegaan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de reconstructie van de Icesave affaire. Dat leverde een win-win situatie op: de krant presenteerde een onthullende reportage en het ministerie van Financiën liet zien dat zij open was over wat er feitelijk was gebeurd.’

“Sleutels naar openheid en openbaarheid
zijn bij professionele overheidsvoorlichters
in goede handen.”

Zorgde dat voor vertrouwen?
Ja, bij voorbeelden als Icesave zeker wel.

In hoeverre was dat een moeizame slag?
Binnen departementen is er vaak tegenstand vanuit de ambtelijke top. Daarom is het belangrijk dat je als directeur Communicatie naast korte lijntjes met de bewindspersonen ook goede afstemming hebt met de Secretaris-Generaal (SG). Als dat niet zo is, dan word je vaak overruled doordat de ambtelijke top druk uitoefent om onwelgevallige informatie niet vrij te geven.’

Welk belang vertegenwoordigen zij?
Niet echt een belang, eerder angst. Ambtenaren houden informatie vaak onterecht geheim, omdat ze denken daarmee een bewindspersoon te beschermen. Op korte termijn werkt dat misschien wel, maar op lange termijn zijn de reputatieschade en politieke schade voor bewindspersoon en departement ongelofelijk groot.

“Oprechte openheid is veel gemakkelijker
en minder risicovol dan de schijn ophouden
dat je open bent.”

Waarom is die schade dan zo groot?
Omdat uit het achterhouden van informatie schaamte blijkt. Zo creëer je als ambtenaar onbedoeld een scoop voor journalisten die er vaak toch wel achter komen. Dat is veel gevaarlijker dan gewoon zelf onthullen dat er iets verkeerd ging. Neem als voorbeeld ‘de bonnetjes’, de declaraties van bewindspersonen. Nu deze standaard openbaar zijn, is het aantal krantenberichten en de omvang ervan flink afgenomen. En waarom moet het geheim zijn in welk type auto een minister rijdt of wordt rondgereden? In Duitsland zetten ze dat wél gewoon op de ministeriële website. Als burgers dat willen weten, dan dient het toch geen enkel belang om die informatie achter te houden?

Wat is dan het werkelijke belang?
Bewindspersonen en ambtenaren willen niet verrast worden. Als je bewust open bent, dan kun je niet verrast worden. Oprechte openheid is veel gemakkelijker en minder risicovol dan de schijn ophouden dat je open bent.

Volgens sommigen leidt openheid niet tot vertrouwen, maar is er sprake van het omgekeerde: geslotenheid bij gevoelige kwesties leidt tot wantrouwen. Hoe kijk jij daar tegenaan?
Volgens mij is er in de samenleving een krachtige beweging voor meer openheid en daar moet je als overheid in mee gaan. Daar heb je de instrumenten voor, dus benut die ook. Kijk eens naar de technologische ontwikkelingen die dat allemaal mogelijk maken. Toen de Wob ontstond, stond alles nog op papier. Nu is alles digitaal en dus snel en met geringe kosten openbaar te maken. En als je voor 90% open bent – zoals ik voorstel – dan kun je ook veel beter uitleggen dat je in 10% van de gevallen niet open bent. Dat is ‘open, tenzij’ in plaats van de huidige situatie die zich toch nog overwegend als ‘gesloten, tenzij’ laat kenschetsen.

“Wees reëel: uiteindelijk komt een onwelgevallig stuk
vaak toch wel bij de media terecht.”

Wat gebeurt er als een bewindspersoon of de ambtelijke top een onwelgevallig document niet wil publiceren?
Velen zien ‘nee’ zeggen als moeilijk, terwijl het juist onderdeel van je professionaliteit is. Als ambtenaar wil je toch dienstbaar zijn aan bewindspersoon én de maatschappij? Een bewindspersoon wil toch ook niet dat informatie die onterecht niet gegeven is toch gepubliceerd moet worden? Je kunt best tegen een minister of staatssecretaris zeggen: “U bent mijn opdrachtgever en de maatschappij is mijn klant”. Ik vind dat een kwestie van integriteit en goed ambtelijk vakmanschap. En wees reëel: uiteindelijk komt een onwelgevallig stuk vaak toch wel bij de media terecht. Het lekt bij de rijksoverheid aan alle kanten. Onderzoek van de rijksrecherche heeft slechts in één geval iets opgeleverd; die vele andere onderzoeken naar het lekken van geheime informatie hebben nog nooit iets opgeleverd. Ik heb nooit begrepen waarom ambtenaren, Kamerleden of bewindspersonen lekken. Wat heb je eraan als je naam er niet bij staat? Ik vind openheid en openbaarheid een kwestie van integriteit. Onrechtmatig informatie geven of onrechtmatig informatie achterhouden is allebei niet integer.’

Wat stel je voor?
De overheid moet afscheid nemen van die defensieve cultuur. Gestimuleerd door de adviezen van de commissie ‘Wallage’ en technisch geholpen door de ICT-ontwikkeling is sinds de millenniumwisseling ook de toegankelijkheid van veel overheidsinformatie verbeterd. Verantwoordingsdag en de aanpak van VBTB (Van Beleidsvoorbereiding Tot Beleidsverantwoording) zijn daar bijzondere voorbeelden van. De eer voor deze veranderingen komt niet alleen de overheidsvoorlichters toe. Maar voor het feit dat ze binnen de algehele sfeer van openheid die de overheid nastreeft hun rol hebben gepakt, verdienen ze krediet.’

“Onrechtmatig informatie geven
of onrechtmatig informatie achterhouden
is allebei niet integer.”

Hoe wil je de defensieve cultuur doorbreken?
Je mag verwachten dat de directie Voorlichting sterker denkt in het belang van burgers dan het ambtelijk apparaat als geheel. Geef daarom de directeur Communicatie meer bevoegdheden in het bepalen of iets wel of niet openbaar mag worden. Nu is vaak de door de ambtelijke top aangestelde Wob-ambtenaar degene met het laatste woord. De directeuren Financieel-Economische Zaken (FEZ) worden voor hun control taken door de Kroon benoemd omdat ze onafhankelijk moeten zijn. Zo’n constructie wil ik ook voor de directeuren Communicatie voorstellen. In het boek heb ik dat voorzichtiger geformuleerd, maar in de kern is dit wat ik wil. Sleutels naar openheid en openbaarheid zijn bij professionele overheidsvoorlichters in goede handen.

Foto: Quintin van der Blonk

Geplaatst op website OpenOverheid: 12 juli 2016